Maandelijks archief: januari 2014

James Vincent McMorrow – Post Tropical

Het tweede album van James Vincent McMorrow start veelbelovend. Klein, dreigend en soulvol tegelijkertijd introduceert de Ierse liedsmid Post Tropical, waarin de indiepop nauw grenst aan R&B en hiphop.

Met het debuut Early In The Morning werd James Vincent McMorrow gemakshalve in de verzamelhoek van de folkrevival gezet. Mumford & Sons en Bon Iver waren de referenties en dankzij McMorrows falsetstem en minimale arrangementen werd daar geregeld Jeff Buckley bij genoemd.
Die falsetstem is gebleven, het is het krachtigste handelsmerk van McMorrow. De folk en minimale arrangementen zijn echter ver naar de achtergrond verdwenen.

LEES HIER VERDER

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder CD recensies, CD Recensies NU.nl, NU.nl

Culted – Oblique To All Paths

Kil, het diepste punt in het holst van de nacht, een dystopisch landschap, Blade Runner lijkt er het paradijs bij, Culted. Dit is de hel op aarde. Misantropisch, nihilistisch, het is de wereld waaruit Oblique To All Paths omhoog komt gegalmd. Doom metal, met de nadruk op verdommenis, hoop wat vakkundig met elke trage repetitieve gitaar de keel afgeknepen of zelfs de nek omgedraaid.

Oblique To All Paths is de tweede langspeler van de Zweeds/Canadese samenwerking die bestaat bij de gratie van het internet. Sterker, de Zweedse zanger Daniel Jansson heeft nog nooit met de drie Canadese muzikanten in studio of repetitieruimte gestaan. De drie Of Human Bondage spelen hun bijdrage in in Canada, waarna de Zweed er in zijn eigen studio mee aan het werk gaat, zang en extra lagen ambient toevoegt.

Het resultaat doet mij (en laat ik eerlijk zijn, ik ben verre van een metal expert) denken aan de donkerste platen van My Dying Bride, de vroege Anathema (Pentecost III) en de immense koude van Winter aangevuld met extra lagen noise en drones om het geheel een extra donkere rouwrand te geven. Sunn O))) is de naam die daar bij opborrelt. Maar belangrijker dan deze hele verzameling aan referenties is wat de plaat met de luisteraar doet.

Het licht gaat uit. Letterlijk. Het licht gaat uit en alle hoop wordt uit de vezels van het lichaam gezogen. ‘Brooding Hex’, waar de plaat mee opent, trekt de duisternis de kamer in om pas een ruim uur later weer licht toe te laten wanneer Oblique To All Paths met de laatste minuut van ‘Jeremaid’ langzaam wegzakt in het duister waar het even langzaam uit was komen opzetten. De tussen liggende tijd sleept de band je door een ontheemde dystopie, verschijnen beelden van rokende en na smeulende destructie voor de ogen en lijkt de verlossing veraf. Een heerlijk stuk vervreemdende ellende.

1 reactie

Opgeslagen onder CD recensies, De Jaap

Warpaint – Warpaint

Eerst maar een bekentenis. The Fool, het debuut van Warpaint uit 2010, heb ik lang links laten liggen. Teveel en te vaak werd in recensies, artikelen en interviews de nadruk gelegd op “all female”, een oud drumster die nu in Hollywood acteert of de kortstondige relatie van de zangeres/gitarist met John Frusciante – voormalig drugsgebruiker en gitarist in Red Hot Chili Peppers – dat ik ging geloven dat de band deze “unique selling points” nodig had om te verkopen.

Ik liet niet mijn oren spreken, maar liet mij leiden door wie, wat en hoe er over geschreven werd. Niet terecht, zo kwam ik tot de conclusie toen ik mij eindelijk wel over het kwartet uit LA boog. Psychedelische indierock met invloeden uit de postrock en new wave die uitmonden in een een fijn dansbare variant op droom pop. Niet zo groots en bijzonder als sommige media deden geloven, maar ook niet zomaar een band om te negeren juist vanwege de hetze er om heen.

Warpaint, de opvolger die drie jaar op zich heeft laten wachten, bewijst dat maar eens temeer. Een album dat bovenal lof verdient omdat de dames niet simpel het pad van de voorganger hebben, noch proberen met makkelijke formules de belofte van succes te incasseren. Het viertal durft te experimenteren, zij het dat niet alle experimenten even goed uitvallen. Zo mag je je afvragen wat Warpaint wil bereiken met de ronduit valse zang in (onder andere het refrein van) Love Is To Die. Aangezien de langspeler niet over een nacht ijs is ontstaan (bijna een jaar is hier aan gewerkt), is het moeilijk anders te geloven dan dat dit een bewuste keuze is geweest. Een vreemde, omdat de swingende postrock die hier en daar aan de latere Trans Am doet denken erg door de zang wordt gedragen.

Toch is daarmee het experiment niet geheel mislukt. Daar waar de zang bij tijd en wijlen slordig is te noemen, zijn de arrangementen juist heel subtiel en genuanceerd uitgewerkt. Kleine wijzigingen, details, verschuivingen in elektronica, bas, ritme of gitaren zorgen voor een continuïteit in verandering. Veel nummers meanderen door en door en door, maar dankzij de minimale golvingen in de stroom blijft de mantra boeiend. ‘CC’, ‘Drive’ het zijn enkele voorbeelden van de meditatieve kracht van Warpaint op Warpaint. Een plaat die vooral toont dat het viertal eigenzinnig de eigen weg over gaat, maar vooralsnog niet de grote belofte lijkt in te lossen. Het zijn vooral interessante ideeën, waar de druk op de ketel de uitwerking niet geheel heeft laten afronden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder BKS, CD recensies, De Jaap, Konkurrent

Damien Jurado – Brothers And Sisters Of The Eternal Son

Damien Jurado

Van sommige artiesten of nummers weet je nog precies waar je deze voor het eerst hebt gehoord. Zonder moeite haal je de situatie weer voor ogen. Intoxicated Hands van Damien Jurado is zo’n nummer. Een zondagavond in 2003, de laatste wintermaanden of de eerste lentemaand, bindt me daar niet op vast, zat ik samen met mijn vriendin op ons nog vrij nieuwe en schaars verlichte appartement Duyster op Studio Brussels te luisteren. Tergend trage folk van een singersongwriter die weet hoe je een verhaal in schetsen vertelt om juist een gedetailleerd beeld te creëren. Dronkenmansblues en hartenleed in een, met nog een hint van de eeuwig teleurstelling van de onenightstand in de achtergrond.

Now come tomorrow morning
How will you explain?

Het zal uiterlijk de volgende ochtend zijn geweest dat ik Jonathan van Secretly Canadian een email stuurde of hij bij mijn pre-order van Magnolia Electric Co., het laatste album van Songs: Ohia, ook Where Shall You Take Me?, het album waar dat nummer op staat, kon voegen. Een keuze die er uiteindelijk toe leidde dat ik sinds 2003 elke plaat van Damien Jurado ongehoord voorbestel en meermalen de ingetogen heb zien optreden. Optredens die sinds Saint Bartlett uit 2010, maar vooral vanaf Maraqopa twee jaar terug, gestaag steeds drukker worden. Jurado heeft de tijdsgeest in eens mee. Samen met producer en multi-muzikant is hij in 2009 een nieuwe weg ingeslagen, eentje weg van de traditionele singersongwriter meer richting de psychedelica, vollere productie en het grotere gebaar van de rock. Maar dat altijd met behoud van de subtiliteit en uiteraard de scherpe beschrijvende teksten van Jurado. In serieuze aanpak met een duidelijke visie, iets wat volgens Jurado zelf in de jaren daarvoor ontbrak. Muziek was iets wat hij er naast deed, vertelde hij mij in een interview in 2012. Een gesprek waarin hij ook vertelde dat hij in de jaren voor Saint Bartlett ook nauwelijks betrokken was bij het verdere opname proces en soms zelfs gewoon lag te slapen als de verdere muziek werd ingespeeld. Hoe het ook zij, sinds dat album is de liederensmid 100% in gaan zetten op zijn muzikale carriere, en heeft zijn baan als lagere school docent opgezegd. Niet zonder succes, en met het vooruitzicht dat 2014 wel eens zijn grote jaar zou kunnen worden.

Was it that whiskey talking/or is it your heart/that made you say I love you to me/as you held me in your arms

Brothers And Sisters Of The Eternal Son, het derde album dat hij samen met Richard Swift op heeft genomen, zou namelijk weleens zijn grote doorbraak naar het brede publiek kunnen betekenen. Net als Maraqopa een concept album keert Damien Jurado op zijn elfde album terug naar het utopische dorp van de voorganger. Draaide het daar nog om een door zijn faam opgejaagde artiest die toen hij zijn succes probeerde te ontvluchten in het dorpje terecht kwam (in het gesprek dat ik met hem had verwees Jurado naar Jeff Buckley en Jason Molina, artiesten die in eens van de aardbodem leken te zijn gevallen), nu richt hij zich op het dorp zelf. Althans, zo wil het verhaal dat met de plaat meereist en wij “de pers” dus braaf over pennen. Het zal echter niet gelogen zijn, daar Jurado twee jaar terug al aangaf bezig te zijn aan een opvolger over zijn eigen droomdorp.

Het is echter niet het thema dat de plaat maakt. Dat is het vermogen van Damien Jurado om bijna twintig jaar in zijn carrière conventies en verwachting los te laten en al experimenterend met Swift gewoon de plaat te maken die hij wil maken. Een singersongwriter die geenszins de noodzaak voelt om te klinken als een singersongwriter, betreedt hij hier nog meer de velden van retro en psychedelische rock. Interessant genoeg gaat hij hier niet alleen door op de muzikale weg die hij op de twee voorgangers is ingeslagen, maar valt hij ook terug op zijn eigen geluid uit begin jaren 2000, waar hij – onder invloed van zijn vriend David Bazan – experimenterende was in zijn indie alternative country folk geluid. En juist hierdoor stijgt nummer elf boven de tien voorgangers uit, het beste van beide werelden combinerend om zo een geheel nieuwe wereld te creëren.

Maar welke wereld Jurado ook creëert, indiefolk, lofi, slowcore, retropsychpop of een combinatie van dit alles, hij wordt bewoond door prachtige liederen. Want dat blijft in alles toch de kracht van Jurado. Is het alleen met gitaar of piano of omringt door een volle concertbak gevuld met super multi-instrumentalist Richard Swift, de kracht zit in het skelet niet in de spieren en het vet er om heen. Een meesterwerk, weliswaar zonder een Intoxicated Hands. Dat is echter meer mijn gebrek. Die eerste keer was namelijk zo indrukwekkend. The first cut is the deepest zong Cat Stevens al eens. En het mes ging diep die zondagavond, samen met mijn vriendin aan de Belgische radio gekluisterd. Echt, het zal uiterlijk de volgende ochtend zijn geweest dat ik Jonathan een email stuurde, “Doe mij die Damien Jurado óók!!!”. Hij had me vast en heeft mij nooit meer losgelaten. Ook weer nu niet, ongeacht welk nieuw pad hij ook is ingeslagen.

1 reactie

Opgeslagen onder BKS, CD recensies, De Jaap, Konkurrent

Thee Silver Mt Zion Memorial Orchestra – Fuck Off Get Free We Pour Light On Everything

Kerst 2009. Het is het jaar dat Vic Chesnutt een overdosis spierverslappers neemt, wegzakt in een coma om vervolgens uit het leven weg te zakken. Een van de grootste singersongwriters van de laatste twintig jaar zag het na een kwart eeuw verlamd leven niet meer zitten. Oplopende zorgschulden en aanhoudende depressies wonnen het van de wil te leven, niet voor het eerst maar wel voor het eerst met deze definitieve uitkomst.

I flirted with you all my life/Even kissed you once or twice/And to this day I swear it was nice/But clearly I was not ready, zong hij nog eerder dat jaar in “Flirted with you all my life”, maar daar was in minder dan een half jaar toch een kentering in gekomen. Zeker in retroperspectief een van de donkerste momenten op At The Cut, een muzikaal hoogtepunt in, en meteen ook de punt achter zijn muzikale carrière. Een album dat in diepte, intensiteit en kracht tot een van de mooiste platen van de noughties mag worden gerekend. Door de sobere teksten en muziek van Vic Chesnutt zelf, natuurlijk, maar niet in de laatste plaats door de invulling die Thee Silver Mt. Zion Memorial Orchestra and The Tralala Band daar aangeeft.

Het is een magische combinatie van duistere treurnis, diepe ellende, depressie en de donkerste krochten met de zwellende, slepende en tergende postrock van Thee Silver Mt. Zion aangevuld met Fugazi oudgediende Picciotto die het al indrukwekkende leed van Chesnutt tot hemeltergende hoogte brengt (pretentieuze zin, maar geen woord van gelogen). Bombast op gezette momenten, maar vooral dreiging voor een storm die nooit daadwerkelijk blijkt te komen, maar wel voortdurend grijszwarte wolken aan de einder legt. De aan Godspeed You! Black Emperor gerelateerde band weet precies de juiste accenten te leggen waarmee het goed tot briljant of zelfs goddelijk om weet te zetten, en legt daarmee de basis voor een klassieker die anno 2014 nog altijd even hard binnenkomt.

20140117-111348.jpg
Of ik dat in 2019 ook over Fuck Off Get Free We Pour Light On Everything zal schrijven, valt moeilijk te zeggen. Feit is wel dat de Canadezen op de zevende langspeler sinds 2010 mij al vanaf de eerste keer draaien bij de kloten hebben gegrepen en sindsdien niet meer los hebben gelaten. Sterker, de grip wordt met elke keer luisteren weer verstevigd. Met een intensiteit die aan de rauwe emotie op At The Cut raakt zet de band uit Montreal zes nummers lang het mes op de strot.

We live on the islands called Montreal and we, eh.. and we make a lot of noise, because we love each other

Het is een licht haperende, zoekende kinderstem die met deze woorden Fuck Off Get Free We Pour Light On Everything opengooit. Nou ja, haperend, het tweede deel wordt na een hap naar adem in een overtuigende directe ruk uitgesproken. Het is karakteriserend voor de kracht en overtuiging van het lawaai dat daarop volgt. Een goor ronkende postrock kraut mantra, Fuck off get free (for the island of Montreal), die – vooral dankzij de zwaar vervormde baspartijen – lijf en leden geheel overhoop pompt. Er wordt volledige aandacht geëist, volle arrangementen met ijzig koude gitaren in strijd en samenspel met een dikke muur aan strijkers, terwijl Efrim Menuck en de zijnen zich in een repetitieve tekst loop gooien. Als je je op deze tonen nog niet in de “Jesus Christ Pose” achterover hebt geworpen om te testen of je op deze zee aan geluid kunt blijven drijven, dan beweegt het hele bovenlichaam wel in een gebedsbeweging in de richting van Montreal. Het krachtigste aan Fuck off get free (for the island of Montreal) is echter de resolute breuk in het midden van het gebed. Net wanneer de mantra in een onontkoombare repetitie lijkt vast te zitten, stokt de krautmachinerie en worden alle “vies en gruizig” pedalen op vol volume ingedraaid en aangetrapt. De eerste keer op Fuck off get free en de rest van die hele lange titel dat Thee Silver Mt Zion Memorial Orchestra in koor en harmonie over je heen rolt. De eerste keer, maar zeker niet de laatste.

Meerdere momenten van bombast volgen. Thee Silver Mt Zion lijkt ze als precisie bombardementen in de opbouw te plaatsen. Meestens om de impact van de haast dystopische teksten te versterken. What we loved was not enough, even though we wanted to weerklinkt het in What we loved was not enough (het absolute hoogtepunt op deze langspeler), terwijl gitaar en bas in waslijnstemming onheilspellend brommen over een dreigend fundament van orgel en strijkers. Iets is verloren – de vrijheid? – en in de lage stemming resoneert dat verlies terwijl de strijkers er pijnlijk tegen in wrijven. Met deze rijk verhalende postrock hoeft Menuck niet verder te gaan dan abstracte teksten, dat er hoop zit in een verre toekomst is ook gewoon duidelijk uit de huppelende baspartijen. Een wrange hoop, een hoop op onverschilligheid terwijl de stad brandt, het volk beweegt in rellen en opstand waar de eigen kinderen het leven bij laten. And the west will rise again zingt Elfrim Menuck (gitarist, pianist en verantwoordelijk voor de teksten) in herhaling, en dat is het offer waard. Op de achtergrond zingt de rest van de band in koor and the days come, when we no longer fail/and the days come when we no longer fail/and the days come when we no longer feel/and the days come when we no longer feel, woorden waarmee het nummer na elf minuten ook wegebt, maar het had nog best twintig minuten mogen duren.

Thee Silver Mt Zion Memorial Orchestra laat je dan leeg en verbouwereerd achter. Er volgt nog een afsluitende postrock wals, waar mee de band lijkt te willen aangeven dat zij tegen wil en dank, tegen de trend van de tijd en tegen de vergankelijkheid in de kunst zal blijven omarmen. Zolang er leven is. Althans, dat impliceert de interview sample waar het nummer mee wordt geopend. Hold on/hold on repeteert Menuck in Rains through the roof at thee Grande ball-room (for capital steez). En dat is precies wat je wilt op deze troostende tonen, iemand vasthouden. Zacht rondjes wiegen op de drone en zacht golvende ritmiek. Onderdompelen in het geluid en een heel klein beetje huilen. Het zijn de momenten dat Thee Silver Mt Zion de impact heeft van At The Cut, het zijn de momenten dat je kapot gaat om daarna herboren weder te gaan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder CD recensies, De Jaap, Konkurrent

SCMB: Superstoragemotherfucker

Met ‘Recorded 23|24072011’ zette het noisetrio The Julie Mittens een punt achter zijn bestaan. Reden tot treurnis, de geïmproviseerde noise van het Leidse drietal laten wij graag tegen ons trommelvlies aanleunen. Maar niet te lang getreurd, want het einde van The Julie Mittens wordt meteen verzacht door SCMB, een hardcore/stoner noiseduo bestaande uit Maarten van der Ploeg op drums en ex-The Julie Mittens bassist Michel van Dam die ook de zang op zich neemt. De drie tracks tellende ep ‘Superstoragemotherfucker’ gaat vooraf aan de plaat die komende herfst opgenomen wordt. Drie zware nummers die in eerste instantie vrij structuurloos overkomen. Gerommel in het repetitiehok, maar wel overrompelend gerommel.

LEES HIER VERDER

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder CD recensies, Gonzo (Circus), Konkurrent, Nederland

Deep Time – Deep Time

Het Texaanse duo Deep Time houdt haar indiepop graag minimaal. Alles gebouwd rondom dragende en volle gitaarpartijen, bijna bespeeld al was het een slaginstrument, maar tot het kleinste beperkt zonder melodie en liedje te verliezen. Een geluid dat ergens in de verte doet denken aan ‘Exile In Guyville’ van Liz Phair. Cleane, gelaagde lo-fi zonder enige pretentie die je enerzijds meteen bekend in het gehoor klinkt en anderzijds voortdurend blijft verrassen. Kleine toevoegingen van synthesizers, xylofoon of klokkenspel verbreden het geluid, terwijl op de potten en pannen met speelse ritmes de variatie en de drive er in wordt gehouden. Maar nooit te veel tierlantijntjes die zouden kunnen afleiden van de hoofdzaak, het pakkende liedje. En pakkende liedjes zijn het, mede dankzij de vrije vocalen van Jennifer Moore die haar stem weet te buigen in een wereld van PJ Harvey tot Catpower of een lichte opera falset.

LEES HIER VERDER

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder CD recensies, Gonzo (Circus), Incubate